Samenvatting:
Het betreft hier twee zaken waarin twee banken verstrekken financieringen aan directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV. De DGA is persoonlijk aansprakelijk voor de financiering, op basis van een tweetal borgtochtovereenkomsten. De BV gaat failliet. De bestuurder (DGA) wordt door de banken als borg aangesproken tot betaling van de leningen.
De bestuurder verweert zich door te stellen dat de geldleningen aan de onderneming dermate risicovol waren dat de kans reëel was dat de BV niet zou kunnen terugbetalen, en ook geen verhaal zou bieden, wegens het feit dat de activa al verpand waren in het kader van andere financieringen. De kans was dus groot dat de bestuurder persoonlijk zou worden aangesproken voor terugbetaling. . Daarom had zijn echtgenote toestemming moeten geven voor deze persoonlijke aansprakelijkheid (borgstelling), op basis van art. 1:88 BW. Dat is niet gebeurd. De rechtbank oordeelt dat, als de bestuurder destijds inderdaad was getrouwd, de bank hem niet mag aanspreken op basis van de borgstelling.
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
Vonnis van 5 oktober 2011 in de zaak van de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK HILVERSUM-VECHT & PLASSEN U.A., gevestigd te Breukelen, eiseres, advocaat mr. A. van Hees,
tegen [gedaagde], wonende te Almere, gedaagde, advocaat mr. G. Kuijper,
en in de zaak met zaaknummer/rolnummer: 451557/HAZA 10-581 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE LAGE LANDEN FINANCIAL SERVICES B.V., gevestigd te Eindhoven, eiseres, advocaat mr. A. van Hees, tegen
[gedaagde] wonende te Almere, gedaagde, advocaat mr. G. Kuijper.
Partijen zullen hierna Rabobank, [gedaagde] en DLL genoemd worden.
[…]
In de zaak met rolnummer HA ZA 10-580
[…]
5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor rechtshandelingen die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Op grond van lid 5 van voornoemd artikel is toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1ondercniet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Het debat in de onderhavige zaak spitst zich allereerst toe op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een borgstelling in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van [gedaagde]. Het vereiste dat de zekerheidsstelling geschiedt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap ziet mede op de rechtshandeling van de vennootschap waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, in het onderhavige geval de kredietovereenkomst. De vraag is derhalve of het aangaan van de kredietovereenkomst tot de normale bedrijfsuitoefening kan worden gerekend, zodat de borgstelling door [gedaagde] is geschied ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van CML. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Immers, op het moment van het aangaan van de kredietovereenkomst bedroeg het eigen vermogen van CML €76.864,= negatief en bedroeg de schuldenlast €3.610.000,=. De materiële vaste activa waren volledig verpand. CML bood derhalve geen enkele zekerheid voor het aanvankelijk door Rabobank verleendekrediet van €500.000,=. Onder deze omstandigheden behoort het aangaan van de kredietovereenkomst niet tot de normale bedrijfsuitoefening van SML, zodat ook de borgstelling door [gedaagde] niet is geschied ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap. Dat in de overeenkomst van borgstelling is opgenomen dat [gedaagde] verklaart de borgtocht te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van CML, maakt het voorgaande -gelet op de bescherming die artikel 1:88 BW beoogd te bieden- niet anders.
5.3. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] -als hij toen getrouwd was- voor het aangaan van de borgstellingovereenkomst toestemming nodig had van zijn echtgenote. Dat zulke toestemming zou zijn verleend is gesteld noch gebleken. Niet is betwist door Rabobank dat de echtgenote van [gedaagde] bij brief van haar advocaat van 15juli 2010 een beroep heeft gedaan op buitengerechtelijk vernietiging van de overeenkomst van borgtocht, zodat ook de rechtbank hiervan zal uitgaan.
[waarna gedaagde in de gelegenheid wordt gesteld om aan te tonen dat hij gehuwd was op het moment dat de toestemming door zijn echtgenote had moeten worden gegeven.]
[…]
I de zaak met rolnummer HA ZA 10-581
VIV is overeenkomst van borgtocht
5.7. DLL baseert haar vordering op [gedaagde] op de borgtochtovereenkomst van 7juni 2006 en de VIV van 7juli2006. Nu de VIV er toe strekt dat [gedaagde] kan worden aangesproken voor de betaling van al hetgeen DLL van CML te vorderen heeft, zal de rechtbank deze overeenkomst -zoals door [gedaagde] is aangevoerd en door DLL niet is betwist- kwalificeren als overeenkomst van borgtocht (in de zin van artikel 7:850 BW). Vernietiging borgtocht op basis van artikel 1:88 BW?
5.8. Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat zowel de overeenkomst van borgtocht als de V1V buitengerechtelijk is vernietigd door de brief van de advocaat van zijn echtgenote van 15juli 2010, omdat zijn echtgenote geen toestemming in de zin van artikel 1:88 BW heeft verleend voor de borgstellingen.
5.9. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:88 lid 1subcBW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor rechtshandelingen die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de. derde verbindt. Op grond van lid 5 van voornoemd artikel is toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1ondercniet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Het debat in de onderhavige zaak spitst zich allereerst toe op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van borgstellingen in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van [gedaagde]. Gelet op de negatieve financiële positie van CML is de rechtbank van oordeel dat zulks niet het geval is. Immers, zijn alle auto’s (de objecten) die zijn gekocht door CML met de gelden uit de leaseovereenkomsten, door CML verpand aan DLL. Het eigen vermogen van CML bedroeg in 2007 € 76.864,= negatief en de schuldenlast beliep €3.610.000,=.CML bood derhalve(naast de reeds verpande auto’s) geen enkele zekerheid voor de door DLL aan CML ter beschikking gestelde gelden. Onder deze omstandigheden behoort het aangaan van de borgovereenkomsten niet tot de normale bedrijfsuitoefening van CML. Dat in de overeenkomst van borgstelling en in de VIV is opgenomen dat [gedaagde] verklaart de borgtocht en de VIV te hebben gesteld handelend ten 4behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van CML, maakt het voorgaande -gelet op de bescherming die artikel 1:88 BW beoogt te bieden- niet anders.
5.10. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] voor het aangaan van de borgstellingovereenkomst en de VIV (voor zover deze een borgstelling behelst) toestemming nodig had van zijn echtgenote. Dat zulke toestemming zou zijn verleend is gesteld noch gebleken. Niet is betwist door DLL dat de echtgenote van [gedaagde] bij brief van haar advocaat van 15juli 2010 een beroep heeft gedaan op buitengerechtelijk vernietiging van de overeenkomst van borgtocht en de VIV, zodat ook de rechtbank hiervan zal uitgaan. DLL heeft aangevoerd dat niet is aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht was getrouwd. DLL betoogt dat op de kopie van het trouwboekje van [gedaagde] niet goed leesbaar is wanneer [gedaagde] in het huwelijk is getreden. Bovendien is volgens DLL met het trouwboekje niet aangetoond dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht en dc VIV nog steeds was getrouwd. 5.11. De rechtbank is van oordeel dat indien [gedaagde] aantoont dat hij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van borgtocht en de V1V (voorzover deze een borgstelling behelst) was getrouwd, zijn echtgenote deze overeenkomst van borgtocht met de brief van 15juli 2010 op grond van artikel 1:89 BW buitengerechtelijk heeft vernietigd.
[…] Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Brunner en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.
Lees ook:
OPENBARE FAILLISSEMENTSVERSLAGEN
Algemene informatie over faillissement
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement
WSNP (schuldsanering) afgewezen? Hoger beroep!